De voorzitters van de cultuurraden uit 'De Zes' leggen in een publieke tribune (gepubliceerd in De Standaard van 14 mei) uit waarom men best niet gaat morrelen aan de grenzen van Brussel. Zij zien 'de overtreding van de taalwetten als een zorgvuldig uitgewerkte strategie waarin de drie musketiers uit de faciliteitengemeenten hun rol met verve spelen'.

Eigenlijk zou deze tekst niet hoeven. Het lijkt immers vanzelfsprekend dat in een federale staat de deelgebieden elkaars grenzen niet in vraag stellen (of zie je Ontario al een stuk Quebec opeisen omdat daar toevallig ook vrij veel Engelssprekenden rondlopen). Helaas dringt in sommige extreme Franstalige kringen die elementaire staatkunde niet door en, erger nog, slagen zij erin ook de totnogtoe meer gematigde partijen in hun communautair opbod mee te krijgen. In ruil voor de splitsing van BHV moeten dan maar wat faciliteitengemeenten naar Brussel gaan, of een stukje ervan, of wat extra rechten aan Franstaligen worden toegekend, enzovoort.

Soms hoor je dat er in sommige faciliteitengemeenten nog nauwelijks Vlamingen wonen. Als die bij Brussel gevoegd zouden worden dan heb je klare grenzen en een nieuw hersteld evenwicht. Was het maar zo. Vijf jaar later krijg je een identieke situatie in de daaraan grenzende randgemeenten, en over twintig jaar zit je in Leuven. Zelfs zonder faciliteiten vinden de meeste Franstaligen het vanzelfsprekend dat hun nieuwe omgeving zich aan hen aanpast en niet omgekeerd. Het FDF verspreidt hier in de streek zelfs een handleiding voor de Franstaligen, een brochure waarin het oproept om overal in Vlaanderen Frans te blijven spreken, zelfs indien de Vlaming niet weet wat hem overkomt: 'continuez à parler le Français'. Vraag maar aan de burgemeesters van Merchtem, Sint-Pieters-Leeuw of (jawel) Liedekerke waartoe dit leidt. Een grens heeft dus zin.

Minderheden zijn eigen aan grensgebieden. Dit merk je ook elders in Europa. Die kunnen dan op het lokale vlak, op gemeentelijke schaal bijvoorbeeld wel meerderheden zijn maar dat is hoegenaamd geen reden om met de grens te gaan schuiven. Als er in Jette, of ergens tussen Lembeek en Tubeke, of in een idyllisch dorpje in de Ardennen in één straat meer Vlamingen dan Franstaligen wonen dan worden de atlassen ook niet meteen aangepast.

Bovendien is inmiddels voldoende gebleken dat het nastreven van taalzuivere en etnisch homogene gebieden gevaarlijk en onzinnig is. We hopen dat de geschiedenis van de 20ste eeuw dit voldoende heeft aangetoond.

Onze huiver om bij Brussel gevoegd te worden moet ook niet worden gezocht in een nostalgisch kaakslagflamingantisme of het grote gelijk van een IJzertorenverleden. Het gaat over het dagelijkse leven, over hoe kwetsbaar je bent als patiënt of bejaarde in sommige instellingen die aan taalwetgeving geen boodschap hebben en de machteloosheid erbovenop omdat je (voogdij)overheid niet in staat is (wil zijn) om daar iets aan te doen. Daar gaat het in essentie over.

Wij, die zes voorzitters, zijn al jaren in het sociaal-culturele leven in onze gemeenten actief. We besparen u de verhalen over de frustraties, de discriminaties, het onrecht enzovoort waarvan onze gemeenschap, ooit een meerderheid, nu een minderheid, op gemeentelijk vlak al jaren het slachtoffer is. Een klaagzang is niet meteen het sterkste argument.

De Vlamingen in onze gemeenten hebben zich min of meer in hun positie geschikt. Ze leven in een grensgemeente bij Brussel. Ze zijn in sommige gemeenten een minderheid. Dit vertaalt zich ook in het gemeentelijk beleid en alle pesterijen die daarbij horen. Toch wordt hier geen moord en brand geschreeuwd. Integendeel, we leven hier graag. Het gaat in de zes faciliteitengemeenten om hechte Nederlandstalige gemeenschappen met een sterk uitgebouwd cultureel leven dat drijft op de eigen dynamiek met de onmisbare steun van de vzw 'de Rand'.

Vanuit taalgemengde gezinnen is er een beperkte maar groeiende interesse in wat er in onze Vlaamse gemeenschapscentra gebeurt. Nu en dan wordt er eens iets samen ondernomen en ook dat valt doorgaans best mee. Voeg daarbij dat het goed Vlaams bestuur ook voor de Franstaligen financieel (maar niet alleen financieel) interessant is. Steeds meer Franstaligen beginnen de voordelen van het niet bij Brussel behoren naar waarde te schatten.

We kunnen ons niet indenken dat de Vlaamse politici deze jarenlange inspanningen die nu eindelijk hun vruchten beginnen af te werpen zouden teniet doen. Dit is zowat het belangrijkste argument om van de taalgrenzen af te blijven. Het systeem functioneert goed, en het wordt zelfs nog beter als je het bekijkt vanuit het perspectief van de inwoners. Het loopt enkel warm omdat enkele Franstalige partijen er hun score mee weten op te drijven als hun lokale mandatarissen zich in het gemeentehuis tot martelaar uitroepen. Heel wat Franstaligen geven (in de coulissen) toe dat ze het een zielige vertoning vinden.

De Franstalige Belgen hebben hier hun rechten: de faciliteiten. En voor ons mogen ze die gerust genieten. Maar als dit voor hen een vrijbrief wordt om de wetgeving gaandeweg verder uit te hollen dan treedt de voogdij-overheid op en volgen er schorsingen en niet-benoemingen. Dit is de logica zelve. Het niet bestraffen van onwettelijk gedrag kan enkel leiden tot nieuwe onregelmatigheden en dit zet op termijn het hele systeem van federale evenwichten op de helling. De overtreding van de taalwetten is een onderdeel van een zorgvuldig uitgewerkte strategie waarin de drie musketiers uit de faciliteitengemeenten hun rol met verve spelen. Wie hen benoemt, zet dus zondermeer de doos van Pandora open. Wie hen tegemoet komt met een uitbreiding van Brussel heeft het helemaal niet begrepen.

Ronald Cools (Wezembeek-Oppem), Greet Lebleu (Sint-Genesius-Rode), André Lerminiaux (Drogenbos), Rik Otten (Linkebeek), Geert Pittomvils (Wemmel), Jacques Vilrokx (Kraainem) zijn de voorzitters van de cultuurraden van de zes faciliteitengemeenten
(deze opiniebijdrage werd gepubliceerd in De Standaard van 14 mei 2008)