08/08: Red de democratie - Stop de hypocrisie
Rubriek: Brussel
Geplaatst door: Jan
Over wat het Belgisch regime sinds 1830 heeft aangericht in Brussel: ''kolonialisme in het hart van Europa''.
Door Dr. Paul De Ridder
Door Dr. Paul De Ridder
(artikel overgenomen van de OVV web-stek)
In 1788, amper vier jaar voor de Franse revolutionaire legers de Zuidelijke Nederlanden binnenvielen, telde Brussel ca. 5% franstaligen. Het ging vooral om hovelingen, edelen en zeer rijke burgers. Zij woonden hoofdzakelijk tussen de Koudenberg en de Zavel. Vanaf 1775 lieten de Oostenrijkse Habsburgers in die wijk grootschalige infrastructuurwerken uitvoeren. Rond het pas aangelegde stadspark werden op grote schaal gronden verkaveld. De prijzen voor die terreinen waren echter onbetaalbaar voor de gewone Brusselaar. De "Hoffwijck" groeide dan ook uit tot een exclusieve buurt voor rijke lui. Die "elite" sprak Frans en keek met misprijzen neer op de Brusselaars.
Kortom: vanaf 1775 werden de Brabantse mensen uit Brussel-stad het slachtoffer van wat men vandaag "sociale verdringing" zou noemen. Toch bleven de gevolgen al bij al nog beperkt. In 1788 - meer dan tien jaar later - woonden er nog altijd zo'n 95 % Nederlandstaligen in Brussel. Dit cijfer komt van J.B.C. Verlooy (1746-1797), een sociaal bewogen intellectueel, die de toestand in Brussel zeer goed kende. Hij vermeldt dit percent in zijn beroemde "Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden". In dit werkt betoogt Verlooy dat mensen pas ten volle kunnen participeren aan het bestuur van een land wanneer zij dit probleemloos in hun eigen taal kunnen doen. Met andere woorden: de democratisering van de samenleving vergt de herwaardering van de eigen taal, cultuur en identiteit. Die uitspraak komt van een overtuigd aanhanger van de "Aufklärung", een man die vertrouwd was van het gedachtegoed van de vrijmetselarij.
In 1792, amper vier jaar nadat Verlooy's "Verhandeling" verscheen, werden de Zuidelijke Nederlanden onder de voet gelopen door de Franse legers. De Franse bezetter kreeg meer dan twintig jaar (1792/94-1815) de tijd om een systematische verfransing door te voeren. De toen gevormde ambtenaren deden de taalpolitiek van koning Willem I mislukken. Anno 1830 maakte separatisme een einde aan het "Koninkrijk der Nederlanden"(1815-1830). In het nieuwe "België" had aanvanke-lijk slechts 0,75 % van de bevolking stemrecht: enkel diegenen die rijk genoeg waren ("cijnskiesrecht"). Door dit ondemocratische systeem kon de bourgeoisie heel België domineren. Lange tijd gaf het Frans de toon aan, ook in het Neder-landstalige deel van dit land. Volgens de heersende klasse was "le Flamand" een allegaartje van schabouwelijke dialecten, in de verste verte niet te vergelijken met het Frans, de enige echte en universele cultuurtaal. Nog in 1912 schreef Jules Destrée dat de Walen voor het Nederlands: "une répugnance instinctive et profonde" koesterden. Meerdere generaties hebben gestreden voor het elemen-taire recht dat de mensen in het Nederlandstalige deel van België probleemloos zouden kunnen leven in het Nederlands.
In de oude Brabantse stad Brussel, die rond 1790 slechts 5 % franstaligen telde, heeft dit democratische proces zich echter niet doorgezet. De hoofdstad van het francofone België kende immers een massale immigratie van franstaligen. Zij kwamen er werken in de ministeries en overheidsdiensten, in het bank- en verzekeringswezen, in de pers... Bovendien werden ook de brede lagen van de autochtone bevolking en de ingeweken Vlamingen onder sociale druk verfranst, zeker na het invoeren van de algemene leerplicht (1914). Al wie streefde naar sociale promotie moest er immers voor zorgen dat hij zo snel mogelijk Frans kon spreken. Volgens de franstaligen ging het hier om een "natuurlijk proces". Dit mocht geenszins verstoord worden door maatregelen om de sociaal zwak-keren te beschermen. Taalwetten - laat staan ingrijpende institutionele hervor-mingen! - waren dan ook volkomen uit den boze. Rond 1900 gingen een aantal Walen zelfs nog een stap verder. Zij verklaarden onomwonden dat de achter-stand van de Vlamingen het fatale gevolg was van "inferieure raskwaliteiten"...
De verfransing greep dan ook steeds verder om zich heen. Dit fenomeen bleef allerminst beperkt tot Brussel-stad. De ruimte binnen de tweede omwalling (de huidige "Kleine Ring") raakte snel volgebouwd. Grote infrastructuurwerken zoals de bouw van het Justitiepaleis (1866-1883) en de overwelving van de Zenne (1867-1871) verdreven de autochtone bevolking naar verder afgelegen gemeenten. Het toenemende verkeer maakte de stadskern steeds minder leefbaar. Daarom weken gegoede burgers massaal uit naar het nog groene ommeland van Brussel. Daar verdienden immobiliënmakelaars fortuinen. Speculanten verkavelden er op grote schaal akkerland, weiden en bossen tot bouwgronden. Net als op het einde van de 18de eeuw was gebeurd rond de Koudenberg, ontwikkelden er zich nu in het ommeland van Brussel quasi exclusieve (francofone) wijken.
Uit de volks- en talentellingen, georganiseerd tussen 1846 en 1947, blijkt dat steeds meer Brabantse dorpen rond Brussel verstedelijkten en verfransten. Op een paar jaar tijd raakte het Nederlands er totaal in de verdrukking. Gemeenten als Etterbeek, Ukkel, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-Pieters-Woluwe, Water-maal-Bosvoorde, Oudergem telden in 1846 nog meer dan 95 % Nederlands-taligen. In 1947 echter waren die mensen in hun eigen gemeente een verdrukte minderheid geworden. De Belgische "taalvrijheid" zorgde ervoor dat in 1954 niet minder dan 22 gemeenten losgemaakt waren uit het Nederlandse taalgebied en voorzien van een zogezegd "tweetalig" statuut. Treffend detail: de Walen hebben telkens weer geweigerd ook maar één enkele Waals-Brabantse gemeente toe te voegen aan Brussel...Tezelfdertijd hadden zij het smalend over "des faux problêmes"...
In 1954 hadden de Nederlandstaligen reeds meer dan 15. 000 ha. van hun territorium afgestaan. Die 22 gemeenten vormen vandaag het "Brusselse Hoofdstedelijke Gewest". Maar dit volstond niet. Door het "Compromis van Hertoginnedal" (1963) kregen de franstaligen in zes bijkomende Brabantse gemeenten "faciliteiten". Mensen die jarenlang geweigerd hadden zich te integreren zagen hun asociaal en ondemocratisch gedrag beloond. Die grootmoedigheid droeg allerminst bij tot een betere verstandhouding. Wel integendeel! Vandaag vragen de franstaligen een zgn. tweetalig statuut voor gemeenten... die in de buurt liggen van Leuven, van Aalst (Oost-Vlaanderen) en Mechelen (Antwerpen). Ook daar worden de gronden stilaan onbetaalbaar voor de plaatselijke bevolking. Op hun beurt worden de mensen er geconfron-teerd met de "valse problemen" waarmee de Brusselaars al te kampen hebben sinds het einde van de 18de eeuw...
In maart 2000 kreeg een internationaal publiek - in het Engels - een uiteen-zetting over wat het Belgisch regime sinds 1830 heeft aangericht in Brussel en omgeving. De buitenlandse toehoorders waren verbijsterd. Een aantal hadden het over "kolonialisme in het hart van Europa". Anderen verklaarden onomwon-den: "What happened in Brussels and surroundings was a real cultural and linguistic genocide".
Er zit inderdaad systeem in deze waanzin. Al wie het ernstig meent met de democratie" en met de mensenrechten heeft dan ook de morele plicht zich te verzetten tegen een soortgelijke "sociale verdringing". Een "natuurlijk proces" waarbij de sterkere de zwakkere verdrukt, vormt immers de negatie van fundamenteel democratische beginselen. Kolonisering en racisme vallen niet te rijmen met "democratie". Op 18 november 2007 had men dan ook beter een betoging gehouden - niet onder de schijnheilige slogan: "Red de solidariteit" - maar wel onder het motto: "Red de democratie. Stop de hypocrisie".
Paul De Ridder is historicus en Brusselaar
Kortom: vanaf 1775 werden de Brabantse mensen uit Brussel-stad het slachtoffer van wat men vandaag "sociale verdringing" zou noemen. Toch bleven de gevolgen al bij al nog beperkt. In 1788 - meer dan tien jaar later - woonden er nog altijd zo'n 95 % Nederlandstaligen in Brussel. Dit cijfer komt van J.B.C. Verlooy (1746-1797), een sociaal bewogen intellectueel, die de toestand in Brussel zeer goed kende. Hij vermeldt dit percent in zijn beroemde "Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden". In dit werkt betoogt Verlooy dat mensen pas ten volle kunnen participeren aan het bestuur van een land wanneer zij dit probleemloos in hun eigen taal kunnen doen. Met andere woorden: de democratisering van de samenleving vergt de herwaardering van de eigen taal, cultuur en identiteit. Die uitspraak komt van een overtuigd aanhanger van de "Aufklärung", een man die vertrouwd was van het gedachtegoed van de vrijmetselarij.
In 1792, amper vier jaar nadat Verlooy's "Verhandeling" verscheen, werden de Zuidelijke Nederlanden onder de voet gelopen door de Franse legers. De Franse bezetter kreeg meer dan twintig jaar (1792/94-1815) de tijd om een systematische verfransing door te voeren. De toen gevormde ambtenaren deden de taalpolitiek van koning Willem I mislukken. Anno 1830 maakte separatisme een einde aan het "Koninkrijk der Nederlanden"(1815-1830). In het nieuwe "België" had aanvanke-lijk slechts 0,75 % van de bevolking stemrecht: enkel diegenen die rijk genoeg waren ("cijnskiesrecht"). Door dit ondemocratische systeem kon de bourgeoisie heel België domineren. Lange tijd gaf het Frans de toon aan, ook in het Neder-landstalige deel van dit land. Volgens de heersende klasse was "le Flamand" een allegaartje van schabouwelijke dialecten, in de verste verte niet te vergelijken met het Frans, de enige echte en universele cultuurtaal. Nog in 1912 schreef Jules Destrée dat de Walen voor het Nederlands: "une répugnance instinctive et profonde" koesterden. Meerdere generaties hebben gestreden voor het elemen-taire recht dat de mensen in het Nederlandstalige deel van België probleemloos zouden kunnen leven in het Nederlands.
In de oude Brabantse stad Brussel, die rond 1790 slechts 5 % franstaligen telde, heeft dit democratische proces zich echter niet doorgezet. De hoofdstad van het francofone België kende immers een massale immigratie van franstaligen. Zij kwamen er werken in de ministeries en overheidsdiensten, in het bank- en verzekeringswezen, in de pers... Bovendien werden ook de brede lagen van de autochtone bevolking en de ingeweken Vlamingen onder sociale druk verfranst, zeker na het invoeren van de algemene leerplicht (1914). Al wie streefde naar sociale promotie moest er immers voor zorgen dat hij zo snel mogelijk Frans kon spreken. Volgens de franstaligen ging het hier om een "natuurlijk proces". Dit mocht geenszins verstoord worden door maatregelen om de sociaal zwak-keren te beschermen. Taalwetten - laat staan ingrijpende institutionele hervor-mingen! - waren dan ook volkomen uit den boze. Rond 1900 gingen een aantal Walen zelfs nog een stap verder. Zij verklaarden onomwonden dat de achter-stand van de Vlamingen het fatale gevolg was van "inferieure raskwaliteiten"...
De verfransing greep dan ook steeds verder om zich heen. Dit fenomeen bleef allerminst beperkt tot Brussel-stad. De ruimte binnen de tweede omwalling (de huidige "Kleine Ring") raakte snel volgebouwd. Grote infrastructuurwerken zoals de bouw van het Justitiepaleis (1866-1883) en de overwelving van de Zenne (1867-1871) verdreven de autochtone bevolking naar verder afgelegen gemeenten. Het toenemende verkeer maakte de stadskern steeds minder leefbaar. Daarom weken gegoede burgers massaal uit naar het nog groene ommeland van Brussel. Daar verdienden immobiliënmakelaars fortuinen. Speculanten verkavelden er op grote schaal akkerland, weiden en bossen tot bouwgronden. Net als op het einde van de 18de eeuw was gebeurd rond de Koudenberg, ontwikkelden er zich nu in het ommeland van Brussel quasi exclusieve (francofone) wijken.
Uit de volks- en talentellingen, georganiseerd tussen 1846 en 1947, blijkt dat steeds meer Brabantse dorpen rond Brussel verstedelijkten en verfransten. Op een paar jaar tijd raakte het Nederlands er totaal in de verdrukking. Gemeenten als Etterbeek, Ukkel, Sint-Lambrechts-Woluwe, Sint-Pieters-Woluwe, Water-maal-Bosvoorde, Oudergem telden in 1846 nog meer dan 95 % Nederlands-taligen. In 1947 echter waren die mensen in hun eigen gemeente een verdrukte minderheid geworden. De Belgische "taalvrijheid" zorgde ervoor dat in 1954 niet minder dan 22 gemeenten losgemaakt waren uit het Nederlandse taalgebied en voorzien van een zogezegd "tweetalig" statuut. Treffend detail: de Walen hebben telkens weer geweigerd ook maar één enkele Waals-Brabantse gemeente toe te voegen aan Brussel...Tezelfdertijd hadden zij het smalend over "des faux problêmes"...
In 1954 hadden de Nederlandstaligen reeds meer dan 15. 000 ha. van hun territorium afgestaan. Die 22 gemeenten vormen vandaag het "Brusselse Hoofdstedelijke Gewest". Maar dit volstond niet. Door het "Compromis van Hertoginnedal" (1963) kregen de franstaligen in zes bijkomende Brabantse gemeenten "faciliteiten". Mensen die jarenlang geweigerd hadden zich te integreren zagen hun asociaal en ondemocratisch gedrag beloond. Die grootmoedigheid droeg allerminst bij tot een betere verstandhouding. Wel integendeel! Vandaag vragen de franstaligen een zgn. tweetalig statuut voor gemeenten... die in de buurt liggen van Leuven, van Aalst (Oost-Vlaanderen) en Mechelen (Antwerpen). Ook daar worden de gronden stilaan onbetaalbaar voor de plaatselijke bevolking. Op hun beurt worden de mensen er geconfron-teerd met de "valse problemen" waarmee de Brusselaars al te kampen hebben sinds het einde van de 18de eeuw...
In maart 2000 kreeg een internationaal publiek - in het Engels - een uiteen-zetting over wat het Belgisch regime sinds 1830 heeft aangericht in Brussel en omgeving. De buitenlandse toehoorders waren verbijsterd. Een aantal hadden het over "kolonialisme in het hart van Europa". Anderen verklaarden onomwon-den: "What happened in Brussels and surroundings was a real cultural and linguistic genocide".
Er zit inderdaad systeem in deze waanzin. Al wie het ernstig meent met de democratie" en met de mensenrechten heeft dan ook de morele plicht zich te verzetten tegen een soortgelijke "sociale verdringing". Een "natuurlijk proces" waarbij de sterkere de zwakkere verdrukt, vormt immers de negatie van fundamenteel democratische beginselen. Kolonisering en racisme vallen niet te rijmen met "democratie". Op 18 november 2007 had men dan ook beter een betoging gehouden - niet onder de schijnheilige slogan: "Red de solidariteit" - maar wel onder het motto: "Red de democratie. Stop de hypocrisie".
Paul De Ridder is historicus en Brusselaar